Historie

Het verleden

Al in 1132 wordt de Wardesle (Warns) genoemd in de kapellenlijst van het klooster Sint Odulf te Staveren. In dezelfde lijst worden overigens ook een kapel in Laaxum en Skarl genoemd. Maar de geschiedenis van Warns en omstreken is veel ouder. Omdat Warns, Skarl en Laaxum op een stuwwal liggen uit de ijstijd was er al eerder bewoning. Tussen Warns en Skarl zijn oude nederzettingen en stenen werktuigen van jagers en verzamelaars gevonden uit de midden steentijd (8800-4900 v C).

De glorietijd van Warns en omstreken kwam in de Gouden Eeuw (1600-1750). Er woonden relatief veel  kapiteins (vaak grootschippers genoemd) die geld verdienden op de handelsvaart op met name de Oostzee, Noordzee en de Middellandse zee. Van deze grootschippers zijn nog enige “Grootschipperswoningen” in Warns bewaard gebleven.

Na de Gouden eeuw werd er voornamelijk geld verdiend met de (melk)veehouderij en de visserij vanuit Laaksum.

 

Mooi journalistiek artikel  in Volkskrant Magazine op 18 mei 2019 beschrijft stukje historie en het heden van Laaksum en Warns

Zandwinning en dagjesmensen bedreigen de rust in het Friese gehucht Laaksum aan het IJsselmeer. En dan zitten Europese natuurregels de laatste ambachtelijke vissers ook nog in de weg.

Aan de kade ligt de HL 6, een stalen schouw, de laatste schuit van wat wel de kleinste vissershaven van Europa wordt genoemd.

Rechts, naar het noordwesten, richting Stavoren, het Roode Klif, de keileemheuvel met bovenop een zwerfkei ter herinnering aan de Slag bij Warns van 1345, toen de Friezen zich de indringers uit Holland van het lijf hielden. Leaver dea as slaef, staat op het monument, ‘Liever dood dan slaaf.’

Links, naar het zuidoosten, de Mokkebank, een met riet en bosjes begroeide zandplaat waar vogelgekwetter nooit van de lucht is. In de verte strekken zich de bossen van het licht glooiende Gaasterland uit. En vóór Laaksum (de officiële Friese plaatsnaam; in het Nederlands: Laaxum), aan weerszijden van het boerenlintdorp Warns, een wijds weidelandschap.

Rust, ruimte, licht en de mooiste luchten. Voor de vissers Jan en Joop de Vries de normaalste zaak van een wereld die zich beperkt tot Laaksum en de Friese wateren van wat zij ‘zee’ noemen. Zien de vissende broers de schoonheid nog van de plek die al hun leven lang de hunne is? Even denken ze na, dan zegt Jan (72) stellig: ‘Ja, best wel.’ En Joop (55): ‘Anders zouden we ook niet zo protesteren tegen de zandwinning.’

Oei, de zandwinning, het kolossale project ten behoeve van de woningbouw, waartegen de Zuidwesthoek in opstand is gekomen. De internationale baggeraar Koninklijke Smals wil dertig jaar lang zand winnen voor de kust van Gaasterland, onderwater, in een gebied van 250 hectare. Het verzet tegen deze winning is hevig. Daarvan getuigen de protestborden langs de dijk van Stavoren tot aan Lemmer, op de grens met de Noordoostpolder: ‘Zandwinning nee!’, ‘Stilte aub!’, ‘Geen Ruhrgebied in Natuurgebied.’

De Gaasterlanders laten niet over zich lopen en mede door het verzamelen van zestienduizend protesthandtekeningen hebben zij een grote slag gewonnen in hun oorlog tegen het monsterverbond van baggeraar, overheid en provincie. Vorige maand torpedeerde de gemeenteraad van de Fryske Marren het plan, waarop baggeraar Smals stampvoetend in beroep ging bij de Raad van State.

Jan en Joop de Vries vissen ambachtelijk. Dat wil zeggen: ze halen hun netten niet machinaal op, maar met de hand. De broers konden er met de pet niet bij dat zo’n multinational als Smals alleen maar even z’n hand op hoefde te steken om een vergunning te krijgen, terwijl zij elk jaar opnieuw door een ambtelijke molen moeten, om vervolgens af te wachten of hun aanvraag om in het IJsselmeer te mogen vissen nog voldoet aan de ­Natuurbeschermingswet.

Visser Joop de Vries. 

Jan de Vries was achter in de 20 toen hij in 1976 bij zijn vader Yke en oom Wybren aan boord van de HL 6 stapte. Daarvoor was hij bouwkundig tekenaar op een architectenbureau. ‘Dan fietste ik naar het werk en zag ik vanaf de dijk hoe mooi mijn vader en oom met hun boot op het water lagen. Dat trok.’

En jo sille wer tusken de muorren sitten, zei Jan dan tegen zichzelf: en jij zit straks weer tussen de muren. Op kantoor keek hij op het laatst elk half uur op zijn horloge. Jan gaf zijn zekere betrekking eraan en koos voor het onzekere vissersbestaan. Alhoewel, onzeker: ‘Er was me toch een hoeveelheid vis toen’. Baars, snoekbaars, bot en paling, de HL 6 voerde vele duizenden tonnen IJsselmeervis aan. Bij zijn vader en diens broer verdiende Jan in een week tijd net zoveel als op het architectenbureau in een maand.

Het familiebedrijfje had de wind in de zeilen en omdat Wybren de Vries al tegen de 70 liep, konden ze op de HL 6 wel een hulpje gebruiken. Jan vond het mooi werk, al had hij in het begin de blaren op zijn kantoorhanden staan. ‘Maar ik liet niks merken.’

De Afsluitdijk was nog slechts een schets op de tekentafel van waterbouwkundige Cornelis Lely toen de Zuiderzeevisserij glorieerde. De vangsten van haring en ansjovis waren rijk in de jaren twintig. Bij Laaksum was een haven gegraven omdat het bij slecht weer bijna ondoenlijk was met kleine vissersschuiten als Staverse jollen de thuishaven te bereiken.

Maar Laaksum werd meer dan een uitwijkhaven voor in problemen geraakte schippers uit Stavoren. Het kreeg een eigen visnijverheid. De roemruchte vishandelaar Poppe de Rook uit Lemmer liet bij de haven tussen Stavoren en Gaasterland een loods van witte zandsteen bouwen. Deze loods, de Hang, werd door de firma De Rook in bedrijf genomen als rokerij van haring en ansjovis. Als die in scholen onder de Gaasterlandse kust zwom, kwamen ook de boeren naar Laaksum. Die gingen op zee hun verdiensten aanvullen en in de vluchthaven lagen dan tientallen schepen.

Toen de Afsluitdijk in 1933 sloot, werd alles anders. De Rook verkocht de loods aan een rivaal uit Stavoren, de firma Smits & Zwaan, die het nog een tijdlang gebruikte voor de palingrokerij. Daarna werd het gebouwtje door de vissers gebruikt voor het wegen van vis, het ontwarren van netten en de opslag van visbenodigdheden.

Maar aan onderhoud van de markante keet werd tientallen jaren niets meer gedaan, met als resultaat een wrak dat met stutbalken overeind wordt gehouden. De broers De Vries hadden graag gezien dat de gemeente zich over de hang had ontfermd en er een visserijmonument van had gemaakt, liefst met een museumpje.

Eigenaar Smits heeft de Hang echter nooit van de hand willen doen en is ten lange leste zelf in actie gekomen. Het krot zal worden opgeknapt en er komt een viswinkel annex restaurant in. Jan de Vries schudt het hoofd. ‘Dit is het laatste gebouwtje langs de IJsselmeerkust dat nog aan de Zuiderzee doet herinneren. De Hang verdient een beter lot dan alweer zo’n vreettent te worden. Verdomd spijtig.’

Maar voorlopig zit er geen schot in het herstel van de bouwval. Het werk ligt stil, op last van de gemeente, omdat het mis dreigt te gaan met het leggen van een nieuwe fundering.

Laaksum: een handvol huisjes en een forse boerderij in de Friese Zuidwesthoek. 

Dat moet goed nieuws zijn voor de firma Overwijk, in Laaksum snackbar, restaurant en kroeg tegelijk. Hendrik en Joke Overwijk zijn vermaard om hun broodjes paling en om de levende muziek die zij in huis halen tot vermaak van hun klanten, die soms tot het ochtendgloren blijven hangen. Ja, een viszaak op Laaksum betekent concurrentie en dus hebben zij zich tegen de komst van nog een horecazaak verzet. Vergeefs. Het stilvallen van de verbouwing, zo vermoeden zij, zal slechts voor oponthoud zorgen. ‘Die eigenaar zet door, van uitstel zal geen afstel komen.’

Hendrik en Joke Overwijk ontdekten Laaksum zo’n dertig jaar geleden door toeval. Ze waren in Perpignan een camping begonnen en die had nog niet eens een naam toen ze het alweer zat waren. Hendrik: ‘Veel te heet daar. We zeiden tegen elkaar: ‘We gaan terug, even afkoelen’.

Het horecastel uit Heerenveen, met een verleden in de muziek, ging een dagje cruisen door de provincie en kwam in Laaksum uit. Joke: ‘We wisten niet wat we zagen. Zo mooi.’

Er stond een visserswoning te koop. Hendrik en Joke besloten hun boel in Perpignan op te doeken en zich in Laaksum te vestigen. Hendrik: ‘Voor de koop moesten we naar een makelaar in Lemmer en toen dat rond was, konden we dat hele Laaksum niet eens meer terugvinden. Ik heb een broer die in de buurt woont moeten bellen, om te vragen waar het precies lag.’

De firma Overwijk begon aan huis met de verkoop van snacks en groeide uit tot een uitbundig horeca-allegaartje met een hoog rock & roll-gehalte. Vrienden uit de muziek mogen er graag binnenvallen.

Hendrik en Joke Overwijk hebben in Laaksum een snackbar, restaurant en een kroeg ineen.

Overwijk zorgt voor reuring waardoor het buurtschap op mooie dagen ineens vol kan lopen. Op zulke momenten mijden Jan en Joop de Vries de haven. ‘Dan stappen we op de fiets, en gaan we een stuk de kant van Gaasterland op.’

Dat het ’s avonds laat behoorlijk los kan gaan bij Overwijk vinden de oorspronkelijke bewoners van Laaksum niet zo’n feest. ‘Want al dat kabaal, dat hoort niet in zo’n klein plaatsje.’

En van de rommelige uitbouw van wat ooit een rustiek vissershuisje was, zijn de broers evenmin gecharmeerd. Die vinden ze ‘een aanfluiting’.

Geregeld overspoelen dagjesmensen Laaksum. De gemeente (Súdwest-Fryslân) staat geen hotel of pension meer toe. In de haven meert zo nu en dan een pleziervaartuig aan. Maar vanaf het IJsselmeer loopt een schip niet zo eenvoudig Laaksum binnen, want voor Gaasterland ligt de uitgestrekte ondiepte van het Vrouwenzand en een jacht met een kiel kan daar zomaar op vastlopen. Om die reden meren alleen platbodems in Laaksum aan. Pleziervaarders, verleid door de schoonheid van de omgeving, willen nog wel eens een nachtje overblijven. Maar niet zelden krijgen ze daar hun bekomst van, want de havenmond van Laaksum ligt praktisch pal op het zuiden en als er wind opsteekt, komt die meestal daar vandaan. En dan liggen de zeilschepen door de golfslag de hele nacht tegen de kademuur te beuken. Opvarenden die daardoor de slaap niet kunnen vatten, zijn in dat geval welkom bij Overwijk. Hendrik en Joke hebben matrassen zat en bieden de schipbreukelingen een kalme slaapplaats op hun overdekte veranda.

Laaksum leeft op door het dagtoerisme en lijkt zijn bestaan als vissershaven te moeten opgeven. Volgens Joop de Vries, die zich op de HL 6 meldde toen hij op zijn 18de klaar met school was, stelt het IJsselmeervissen ook niet zo veel meer voor. ‘Bij Urk en op het Markermeer wordt nog behoorlijk gevist, maar hier zie je niemand meer. Behalve wij dan.’

Broer Jan herinnert zich nog de grote bedrijvigheid in het nietige Laaksum. Na de oorlog telde het gehucht nog zeven visbedrijven en lag het haventje vol stalen schouwen. Sinds 1970 danst alleen de HL 6 nog op de groene deining. Dat was trouwens nog wel een topjaar, 1970, toen de firma De Vries alleen al aan snoekbaars 70.000 pond uit het IJsselmeer viste. In 1997 was dat nog maar 5.000 pond.

Baars en snoekbaars zwemmen nog mondjesmaat in Europa’s grootste zoetwaterplas en ook de ­palingstand is karig. De broers De Vries moeten het van bot hebben. Voor deze platvis werd vroeger de neus opgehaald. Maar de Laaksumer bot is een delicatesse, hij is forser dan de schol en blanker en smakelijker dan de gewone bot. Dat komt omdat de IJsselmeerbodem voor de kust van Gaasterland harder is waardoor de vis geen grondsmaak krijgt en lichter van kleur blijft.

Maar van bot alleen, ook al werd de Laaksumer officieel erkend als streekproduct, zal het bedrijf van de broers niet kunnen kunnen voortbestaan. Het einde is in zicht, weten ze. Oorzaak? De beroerde visstand natuurlijk, maar meer nog ‘de overheid’, zoals Jan het bondig stelt. ‘Er is kwade opzet in het spel. Wij hebben een strop om de nek en die wordt steeds meer aangehaald.’

Dat er drastische maatregelen nodig waren om het visbestand nog enigszins te redden, was zonneklaar, want het IJsselmeer werd leeggevist. Maar Jan de Vries is er heilig van overtuigd dat de overheid de boel eerst danig uit de hand heeft laten lopen. ‘Er waren bedrijven met wel honderden netten in de weer. Die bedrijven lieten ze net zolang hun gang gaan tot er wel ingegrepen moest worden. En daardoor konden ze mooi met drastische maatregelen komen.’

De IJsselmeervissers werden opgezadeld met een vangstbeperking van 85 procent. Voor de broers betekende dat al bijna de doodsteek. Ze schreven een bezwaarschrift en togen in augustus vorig jaar naar de rechtbank in Leeuwarden om het te verdedigen. Tevergeefs, de rechter liet het belang van de vis zwaarder wegen dan dat van het ambachtelijke vissersbedrijf.

De broers vrezen nieuwe saneringsplannen van de overheid en verdere controlemaatregelen als digitale vangstregistratie en een vaartuigvolgsysteem die hun vrijheid van doen en laten ernstig zullen aantasten. Jan: ‘De overheid werkt niet mee, maar tegen. Ze dwingen ons bijna om er mee op te houden. Het beleid is erop gericht dat vissers uit zichzelf stoppen, zodat ze niemand hoeven uit te kopen. Ze zijn ons liever kwijt dan rijk, en dat terwijl wij nou precies doen wat de overheid wil: kleinschalig en duurzaam vissen.’

Jan en Joop zijn vrije vogels die zich gekooid voelen door ‘de voorschriften’. Dat worden er almaar meer. ‘Gedragsregels zijn het en ze worden steeds strenger’, zegt Joop. En Jan: ‘Wij hebben een vergunning om te varen in stiltegebieden, maar als er, waar ook op zee, meer dan vijftig vogels bij elkaar zitten, moeten wij omvaren. Omdat we minstens tweehonderd meter uit hun buurt moeten blijven.’

De Visstandsbeheerscommisie voor het IJsselmeer, de Stichting Het Blauwe Hart (voor een gezond en vitaal IJsselmeer), de Dierenbescherming en de provinciale natuurbeheerder ’t Fryske Gea, ze kijken de broers van Laaksum stuk voor stuk op de vingers.

En dan is daar nog de dreiging van de zandwinning. Dat baggeraar Smals vooralsnog het nakijken heeft, verheugt de broers, maar ze beseffen dat het pleit nog lang niet beslecht is. ‘Zo’n gigantisch bedrijf heeft natuurlijk machtige vrienden.’

Zoals VVD-minister Cora van Nieuwenhuizen van Infrastructuur en Waterstaat, die Smals haar zegen gaf. Zij noemde het plan om vanaf een werk­eiland tot zestig meter diep te gaan boren, 24 uur lang, zeven dagen in de week, ‘een onderneming van nationaal belang’. En de provincie Friesland, die het plan toetste aan de Natuurbeschermingswet, kwam opmerkelijk vlot met een verklaring van geen bezwaar.

Dat de vissers De Vries te vrezen hebben van de zandindustrie staat volgens hen als een paal boven water. ‘Alleen al omdat er een enorm gebied zal worden afgezet en daar kunnen wij dus niet meer vissen. Op dat werkeiland staan straks dag en nacht machines te dreunen.’

Zo zoetjesaan zou Jan de Vries wel met pensioen kunnen, maar Jopie, zoals zijn grote broer hem noemt, moet nog een tijdje. Ziet hij het nog zitten? ‘Ach, ik lig er niet wakker van, maar het ziet er niet best uit.’

Aan wal zijn de Laaksumer vissers zich bewust van de karigheid van hun bestaan. ‘Maar op zee’, zegt Joop, ‘daar gaat het wel. En als er dan wat in de netten zit, is het leven best weer mooi.’

Vlak voor de avond valt, komt de mist opzetten en slokt Laaksum op. Op de zee heerst een diepe stilte.

Wat is er te doen in de buurt van Laaksum?

 OP 1,5 KILOMETER VAN LAAKSUM

Het Roode Klif, de keileemheuvel met het monument voor de Slag bij Warns van 1345. Fraai uitzicht over het IJsselmeer en het buurtschap Skarl met een schilderachtig begraafplaatsje.

OP RUIM 5 KILOMETER

Het Rysterbosk is een van de bekendste wandelbossen in Friesland, een loofbos van 172 hectare tussen het IJsselmeer en het dorp Rijs. In de 17de eeuw aangelegd als hakhoutbos door de Amsterdamse regentenfamilie De Wildt.

OP 6 KILOMETER

In Molkwerum is Het Bakkerswinkeltje (hetbakkerswinkeltje.nl), een originle bakkerswinkel uit 1916 met een 18de-eeuwse woonkamer en bedstee.

OP 10 KILOMETER

In Oudemirdum: Bezoekers­centrum Mar en Klif (marenklif.nl). Dit streek­museum geeft een beeld van het ontstaan van het landschap in Zuidwest Friesland, gevormd in de voorlaatste ijstijd. Verder een maquette en een documentaire over het oorlogsverleden van de streek waarin een lanceerplatform voor V2-raketten een rol speelde.

Sluit Menu