Een kijkje achter de voordeur van Willem Prins, Buorren 4

Toen ik een paar maanden geleden aan Willem vertelde dat ik het soms lastig vind om iemand te vinden die zich voor de Warnser Poarte wil laten interviewen, bood hij zichzelf spontaan aan.
Wat ik toen nog niet wist, is dat het vrij moeilijk is om een afspraak met hem te maken, hij is nogal druk. Maar vandaag is hij op tijd thuisgekomen uit Harlingen, waar hij werkt aan zijn eigen kotter. Met een kop koffie gaan we aan de keukentafel zitten voor een gesprek.

“Ik ben geboren in de kosterswoning naast de Doopsgezinde kerk”, zo begint hij, “mijn ouders waren eerder geëmigreerd naar Amerika, maar mijn moeder kon daar niet aarden en dus zijn ze teruggekomen. Mijn oudste broer is in Amerika geboren, mijn zus, mijn broer en ik in Warns. Na terugkeer uit Amerika hebben mijn ouders een paar jaar naast de Doopsgezinde kerk in de kosterswoning gewoond en daarna hebben ze deze boerderij van mijn grootouders overgenomen. Ze hadden koeien, een stuk of 40.

Ik ben opgegroeid in Warns en hier naar school gegaan. Omdat ik niet zo graag naar school ging en ik niet wist welke vervolgopleiding ik zou gaan doen, werd het de Lagere Landbouwschool. De praktijkvakken vond ik leuk, met theorie had ik minder. Ik werkte samen met mijn vader op de boerderij tot hij vanwege een virusinfectie aan zijn oog  uiteindelijk van de boerderij is gegaan. Hij heeft vanwege die virusinfectie aan zijn oog tweemaal een hoornvliestransplantatie gehad. De eerste mislukte omdat hij net die ene persoon op de miljoen was die allergisch was voor een bepaald medicijn. Nadat hij van de boerderij is gegaan zijn mijn ouders naar een woning verhuisd op ’t Noard, waar mijn vader een paar jaar later is overleden. Mijn moeder woont er nog, zij is in maart 90 geworden. Hinke en ik zijn destijds op de boerderij gaan wonen. Hinke kwam niet van een boerderij, ze heeft het melken moeten leren, want wij deden het werk wel samen. Wat ik vooral aantrekkelijk vond aan het boer-zijn was het zelfstandig nemen van beslissingen. Bovendien was je altijd in de buurt, zodat je het opgroeien van de kinderen goed meebeleefde.

In 1988 vond ik in de brievenbus een brief waarin een milieuactivist mensen probeerde te interesseren voor windenergie. Omdat wij beslist niet positief waren over kernenergie en het milieu mij aan het hart gaat, heb ik contact gezocht met deze man. Door de gesprekken ben ik me gaan verdiepen in de mogelijk- en moeilijkheden rondom het bouwen van een molen. We werden zo enthousiast dat Hinke en ik besloten de hypotheek op de boerderij te verhogen om zo een windmolen te kunnen kopen.

In 2001 heb ik een ongeluk gehad. Ik ben van een opraapwagen gevallen en daar hield ik een gebroken neus en een whiplash aan over. In eerste instantie is de aandacht naar mijn neus gegaan, maar later bleek ik veel meer last te hebben van de whiplash. Ik had pijn in mijn nek en soms was ik stukjes uit mijn geheugen kwijt. Ik ben een paar maanden in de ziektewet geweest, maar de controles door de verzekeringsarts vond ik vervelend. Ik had het gevoel dat ik steeds opnieuw moest uitleggen dat ik iets mankeerde. Tot ik op een dag een controleafspraak had bij een andere verzekeringsarts, in de Stationsstraat in Sneek. Toen die mij terugverwees naar de collega waar ik eerder was geweest, had ik er zo genoeg van dat ik, toen ik de deur daar achter me dicht deed, besloot om te stoppen met de boerderij en grotere molens te bouwen om van te kunnen leven. Op de terugweg – ik weet nog precies waar dat was, bij de watertoren in Sneek –  heb ik Interpolis gebeld en gezegd hoe ik over het bedrijf dacht. In de maanden daarna ben ik aan de slag gegaan met het opschalen van onze molens. Dat was in 2001, ik was 41 of 42. Ik weet niet eens meer hoe Hinke reageerde toen ik het haar vertelde, maar we zijn gestopt met boeren en hebben nieuwe windmolens gekocht.

Omdat ik me interesseer in de techniek van de molens heb ik cursussen gedaan en was ik van plan om de molens zelf te onderhouden. Uiteindelijk besteed ik het onderhoud uit en probeer ik alleen de storingen te verhelpen, wat me in 50% van de gevallen lukt.

Naast mijn eigen windmolens ben ik een jaar of acht geleden in een windmolen project gestapt in Kenya en in windmolen projecten in Finland. De windmolens in Kenya staan er, maar ze zijn nog niet in bedrijf. Er zijn wat onverwachte problemen waardoor we vertraging hebben opgelopen. Hopelijk gaat het dit jaar nog gebeuren.

In mijn vrije tijd speel ik basgitaar, al 40 jaar. Ik ben begonnen in de band Mixup met Gerrit van der Bos. Ik heb met tussenpozen altijd in bands gespeeld en nog steeds maak ik muziek met anderen. Tot twee jaar terug was ik schipper van het skûtsje De Lege Wâlden in Terhenne. Ik vind het zeilen heerlijk, maar om elk jaar weer een team bij elkaar te krijgen, dat vond ik lastig. Jehanne, onze dochter, is nu de schipper van het skûtsje. Zij woont in Terhenne waar ze drie dagen per week werkt bij de Kameleon en twee dagen als invalkracht op een basisschool.

Onze zonen Wytse en Sierd wonen allebei in Warns. Wytse werkt als ZZP-er. Hij verhuurt en verkoopt Evenement- en horecamaterialen. Maar het meeste plezier beleeft hij, geloof ik, aan het maken van dingen, daar is hij heel goed in, hij is heel precies. Sierd woont sinds vorig jaar in een eigen woning in de Kapelstraat en dat gaat goed, hij wordt daardoor steeds zelfstandiger. Hij werkt in Sneek bij Empatec en op zijn vrije maandag maait hij het gras bij enkele mensen in Warns.

Ik ben in Harlingen bezig met het onderhoud van de kotter die Hinke en ik vijf jaar geleden hebben gekocht. Ik had gedacht met drie, vier weken wel klaar te zijn, maar ik ben al drie maanden bezig. Eigenlijk had hij al in het water moeten liggen, zodat we kunnen gaan varen. Maar, zodra hij klaar is, gaan we varen.”

Wilma Deurloo

Sluit Menu