Een kijkje achter de voordeur van Klaske Bekkema, ‘t Noard (22 april 2014)

Als ik mijn fiets tegen de voorkant van het huis zet, komt Klaske me tegemoet. Ik ben nog nooit in haar huis geweest, ik ken haar alleen van de winkel. Maar ja, die is sinds december 2013 gesloten. Ik ben benieuwd hoe het haar vergaat, zo’n 3-4 maanden later.

“Het kost me moeite”, zegt Klaske, “ik was zo gewend om altijd druk te zijn, ik weet nog niet zo goed wat ik moet doen, ik voel me soms nutteloos, alsof ik geen doel meer heb. Jeen zegt dat ik in een rouwproces zit en dat ik daar de tijd voor moet nemen, dus daar probeer ik me aan over te geven.

Ik kom van Staveren, wij hadden thuis een boerderij. Ik was een echt ‘vaderskind’, altijd bezig op de boerderij. Ik verzorgde de schapen en de kalfjes en ik hielp met melken. Ik houd van actie en ik had zo mijn vaste dingen, er was altijd wel wat te doen.

Een kijkje achter de voordeur van Gabe Valk, Pastorywei 18 (14 januari 2014)

“Heb jij mij zelf uitgekozen voor een interview in de Warnser Poarte? Ik heb er namelijk al een paar keer in gestaan vanwege de onderscheidingen die ik heb gehad,” zo begint Gabe Valk het gesprek. Dat wist ik niet. Het betekent dat ik er voor moet zorgen dat het een ‘ander’ gesprek wordt.

“Mijn ouders zijn in 1920 komen wonen aan ’t Sou, op een boerderij 400 meter van de weg. Mijn vader kwam van Koudum, mijn moeder  van Skarl. Ik ben in 1935 geboren als helft van een twee-eiige tweeling, mijn broer woont in Hemelum. We zijn heel verschillend, we hebben altijd allebei onze eigen vrienden (maten) gehad en nog steeds. Toen we klein waren, gingen we elke dag met vader de melk naar de weg brengen, bij de Skarlerdyk. Van de vrouw van de bakkerij daar kregen wij altijd een stukje koek. Met onze opa wandelden we naar het voetbalveld dat bij ons huis lag. De voetbalclub heette De Valken. Als er gevoetbald werd of getraind, dan liep er een vrouw met een dropwinkeltje langs de lijn, waar we dropveters kochten voor 5 cent.   

Een kijkje achter de voordeur van mevrouw Prins, ‘t Noard 80 (13 april 2013)

Ik ben geboren op het eiland Rozenburg, bij Rotterdam. Ik kom uit een ‘eigenaardig’ gezin dat bestond uit mijn vader en moeder, mijn grootvader en een tante. Ik wist niet beter of ik had twee vaders en twee moeders. Ik heb een jongere zus en een broer, ik ben de oudste. Mijn zusje leeft niet meer, mijn broer woont op Rozenburg. Hij rijdt nog zelf auto en als hij moed heeft komt hij weleens deze kant op.

Mijn vader was riethandelaar, hij pachtte rietgorzen langs de Brielse Maas. In de winter werd het riet gesneden en opgeslagen. Dat snijden kon alleen bij laag water, maar de tijden van laag water wisselden steeds, dus hij moest op de gekste tijden werken. Hij werkte met twee arbeiders. In het voorjaar en in de zomer werd het riet schoongemaakt en uitgekamd, alles gebeurde met de hand. Daarna werd het verdeeld in dek-riet, stook-riet en mat-riet. Op dinsdag ging hij naar de beurs in Rotterdam om het riet te verkopen.