Een kijkje achter de voordeur van Riekele Stobbe, Buorren 52 (18 februari 2015)

Riekele woont samen met Marja aan de Buorren in een huis uit 1840. Hoewel het er van buiten vrij donker uitziet, is het van binnen aardig licht. Doordat er een klein voortuintje is, rijden de auto’s over de Buorren niet al te dicht langs het huis. Riekele vertelt dat er een grote tuin achter het huis ligt, waar hij in de zomer graag en veel werkt en waar hij in de winter geniet van de vogels. “Ik zag laatst drie pestvogels en dat geef ik dan door aan Tryntsje.”

Tijdens ons gesprek wordt me duidelijk dat Riekele ‘graag en veel’ bezig is. “Als ik me ergens instort, dan is dat voor 100%. Dat is weleens lastig, want ik bewaak mijn grenzen niet altijd even goed. Maar laat ik bij het begin beginnen, ik ben opgeleid tot chemisch analist. Ik werkte samen met andere analisten op een groot laboratorium en dat beviel me uitstekend. Nadat ik was gaan werken voor één onderzoeker in een eigen laboratorium, merkte ik dat ik het contact met collega’s het meest miste.

Een kijkje achter de voordeur van Anneke Piersma, Skarlerdyk (16 oktober 2014)

“Gastvrijheid en sfeer zijn voor mij erg belangrijk”, begint Anneke als ik haar vraag hoe zij het werken als beheerder van de Spylder heeft ervaren. “Dat heb ik van mijn beppe. Zij was daarin belangrijk voor me. Bij haar was het gezellig, er waren koekjes, er stonden bloemen op de tafel, er brandden schemerlampjes. Nee, geen kaarsjes, dat heb ik van mezelf.  

Ik ben in 2004 in Warns komen wonen, ik had toen nog een volledige baan en was daardoor veel van huis. Ik wist dat ik vóór mijn 65e ging stoppen met werken. Ik had geen idee, hoe ik daarna  mijn vrije tijd zou gaan invullen. Ik was bang om in een gat te vallen. Mede daarom heb ik ‘ja’ gezegd toen Renneke mij vroeg of ik beheerder wilde  worden van De Spylder.

Een kijkje achter de voordeur van Gabe Valk, Pastorywei 18 (14 januari 2014)

“Heb jij mij zelf uitgekozen voor een interview in de Warnser Poarte? Ik heb er namelijk al een paar keer in gestaan vanwege de onderscheidingen die ik heb gehad,” zo begint Gabe Valk het gesprek. Dat wist ik niet. Het betekent dat ik er voor moet zorgen dat het een ‘ander’ gesprek wordt.

“Mijn ouders zijn in 1920 komen wonen aan ’t Sou, op een boerderij 400 meter van de weg. Mijn vader kwam van Koudum, mijn moeder  van Skarl. Ik ben in 1935 geboren als helft van een twee-eiige tweeling, mijn broer woont in Hemelum. We zijn heel verschillend, we hebben altijd allebei onze eigen vrienden (maten) gehad en nog steeds. Toen we klein waren, gingen we elke dag met vader de melk naar de weg brengen, bij de Skarlerdyk. Van de vrouw van de bakkerij daar kregen wij altijd een stukje koek. Met onze opa wandelden we naar het voetbalveld dat bij ons huis lag. De voetbalclub heette De Valken. Als er gevoetbald werd of getraind, dan liep er een vrouw met een dropwinkeltje langs de lijn, waar we dropveters kochten voor 5 cent.   

Een kijkje achter de voordeur van Klaske Bekkema, ‘t Noard (22 april 2014)

Als ik mijn fiets tegen de voorkant van het huis zet, komt Klaske me tegemoet. Ik ben nog nooit in haar huis geweest, ik ken haar alleen van de winkel. Maar ja, die is sinds december 2013 gesloten. Ik ben benieuwd hoe het haar vergaat, zo’n 3-4 maanden later.

“Het kost me moeite”, zegt Klaske, “ik was zo gewend om altijd druk te zijn, ik weet nog niet zo goed wat ik moet doen, ik voel me soms nutteloos, alsof ik geen doel meer heb. Jeen zegt dat ik in een rouwproces zit en dat ik daar de tijd voor moet nemen, dus daar probeer ik me aan over te geven.

Ik kom van Staveren, wij hadden thuis een boerderij. Ik was een echt ‘vaderskind’, altijd bezig op de boerderij. Ik verzorgde de schapen en de kalfjes en ik hielp met melken. Ik houd van actie en ik had zo mijn vaste dingen, er was altijd wel wat te doen.

Een kijkje achter de voordeur van mevrouw Prins, ‘t Noard 80 (13 april 2013)

Ik ben geboren op het eiland Rozenburg, bij Rotterdam. Ik kom uit een ‘eigenaardig’ gezin dat bestond uit mijn vader en moeder, mijn grootvader en een tante. Ik wist niet beter of ik had twee vaders en twee moeders. Ik heb een jongere zus en een broer, ik ben de oudste. Mijn zusje leeft niet meer, mijn broer woont op Rozenburg. Hij rijdt nog zelf auto en als hij moed heeft komt hij weleens deze kant op.

Mijn vader was riethandelaar, hij pachtte rietgorzen langs de Brielse Maas. In de winter werd het riet gesneden en opgeslagen. Dat snijden kon alleen bij laag water, maar de tijden van laag water wisselden steeds, dus hij moest op de gekste tijden werken. Hij werkte met twee arbeiders. In het voorjaar en in de zomer werd het riet schoongemaakt en uitgekamd, alles gebeurde met de hand. Daarna werd het verdeeld in dek-riet, stook-riet en mat-riet. Op dinsdag ging hij naar de beurs in Rotterdam om het riet te verkopen.