Een kijkje achter de voordeur van Auke de Vries, ’t Sou 35

Auke had ik weleens ontmoet bij een buurtfeestje toen wij nog bij dezelfde buurtvereniging hoorden, maar ik kende hem niet echt. Gelukkig mag ik elke twee maanden een dorpsge-noot vragen voor een stukje in de Warnser Poarte, een unieke gelegenheid om iemand beter te leren kennen. En zo zit ik op een zonnige maandagochtend met Auke, Trijntsje en Sytse om de keukentafel. Dochter Jantsje is net vertrokken naar school. Omdat ik Auke heb ge-vraagd voor dit gesprek, steekt hij van wal.

“Ik woon op de plek waar mijn ouderlijk huis heeft gestaan. Mijn vader en moeder hebben hier gewoond en mijn pake en beppe ook. Mijn vader en moeder hadden schapen, die wer-den door mijn vader gemolken en van de melk maakte mijn moeder kaas. Mijn ouders sjoel-den vroeger elke avond, al was het maar een half uurtje. Mijn vader had zelf een sjoelbak gemaakt, hij werkte graag met hout. Mijn vader is 85 jaar geworden. Hij heeft achter het stuur van de auto een herseninfarct gekregen en is toen in volle vaart in een greppel gere-den. Een buurman, die iets hoorde wat op het geluid van een straaljager leek, is heel hard naar de auto gerend en heeft mijn vader achter het stuur vandaan weten te trekken. Toen mijn vader er net uit was, vloog de auto in brand. Ik ben nog steeds heel dankbaar dat de buurman mijn vader uit de auto heeft weten te krijgen voordat die in brand vloog. Mijn va-der is een paar weken na dit ongeluk overleden. Mijn moeder leeft nog, zij woont in de Finke en ze hoopt op 21 april 100 jaar te worden! Ik hoop dat we dat nog mogen beleven. Ik heb die dag in elk geval al vrij gevraagd op mijn werk.

Mijn ouders hebben op 't Sein gewoond, daar ben ik geboren. Ik heb twee zussen en drie broers. Mijn tweelingbroer en ik zijn de jongsten. Ik heb de LTS gedaan, richting metaalbe-werking en ik ben gaan werken als trekkerchauffeur bij een loonbedrijf. Toen ik 17 jaar was heb ik een ernstig ongeluk gehad met de brommer. Ik ben achterop een auto gereden van een Duitser die de weg kwijt was. Die reed met zijn auto achteruit en dat had ik niet gezien. Gelukkig had ik een helm op, ik had geen letsel aan mijn hoofd, maar mijn been was wel verbrijzeld. In het ziekenhuis in Sneek hebben ze mijn been in eerste instantie niet goed behandeld. Ik was bang dat ik het nooit meer zou kunnen gebruiken. Gelukkig heeft de huisarts van Bakhuizen ervoor gezorgd dat ik opnieuw geopereerd werd, waardoor mijn been behouden kon blijven en ik geen prothese hoefde. Ik heb veel operaties gehad en ik heb vaak in het ziekenhuis gelegen. Wat in die tijd heel belangrijk voor mij is geweest, waren de kaarten die Louis Harkema mij stuurde. Louis stuurde elke week aan alle mensen uit de Sudwesthoek die in het ziekenhuis lagen een kaart. De namen van de mensen haalde hij uit het kerkblad. Het waren hele grote kaarten die hij zelf maakte. Hij schreef er dan in: “hartelijke groet van Louis Harkema”. Zijn kaarten hebben diepe indruk op mij gemaakt. Het kostte hem zoveel geld om die grote kaarten te versturen, dat er zelfs weleens een collecte voor hem is gehouden in de kerk. Zelfs Trijntsje, die uit It Heidenskip komt, heeft kaarten van Louis gekregen toen zij in het ziekenhuis lag. Ik zat afgelopen weekend nog eens in mijn plakboeken uit die tijd te bladeren en toen zag ik een kaart van Louis waarin hij mij bedankte voor een brief die ik hem kennelijk had geschreven om hem te bedanken voor de kaarten die hij mij had gestuurd. Dat wist ik niet meer. Louis leeft niet meer, maar als wij horen dat er iemand in het ziekenhuis ligt, dan sturen mijn vrouw en ik een kaart, omdat ik weet hoe belangrijk dat is als je dag in dag uit in bed ligt.

Het heeft jaren geduurd voor het in orde was met mijn been, dat ongeluk heeft mijn hele toekomst bepaald. Ik kon namelijk na het ongeluk niet meer werken als trekkerchauffeur en het was moeilijk om ander werk te vinden. Daarom ben ik vrijwilligerswerk gaan doen. Voor ‘Bijzondere noden’ heb ik tweedehands kleding voor arme landen ingepakt. Elke maandag-avond, in een loods op ’t Noard. Een keer per jaar werden de pakketten naar Rotterdam ge-bracht vanwaar ze verscheept werden naar arme landen. Ik heb daarnaast voor de Janke Tromp eten rondgebracht met de bus.

Toen in 1980 de baan van krantenbezorger vrijkwam in Warns, ben ik dat gaan doen en dat doe ik nog steeds met plezier. Het was een goede therapie voor mijn been en het gaf me een doel, waardoor ik mijn gevoel van eigenwaarde terugkreeg. Ik denk er weleens over om op te houden als ik de 40 jaar heb volgemaakt, maar ik vind het nog steeds mooi om te doen, dus misschien blijf ik het wel doen. Ik bezorg alle kranten in Warns, van het Friesch Dagblad tot de Telegraaf en van Trouw tot de Leeuwarder. Ik moet er wel de kop bijhouden, want iemand die de Leeuwarder heeft, die moet natuurlijk niet het Friesch Dagblad in de bus krijgen. Sinds kort bezorgt mijn zoon Sytse de Balkster Courant, tenminste als hij er tijd voor heeft. Het komt er eigenlijk op neer dat ik het doe, want Sytse is veel weg. Hij moet naar school in Leeuwarden en hij sport veel. Door de week gaat bij mij om 4.30 uur de wekker, want de krant moet vóór 7 uur in de bus liggen. Als het heel slecht weer is heb ik er soms niet veel zin in, maar meestal vind ik het fijn om naar buiten te gaan. De mooie tijd komt er nu weer aan, de mensen die niet zo vroeg opstaan missen wel wat…

In 1986 ben ik gaan werken via de Wet Sociale Werkvoorziening (WSW). Ik vond dat moeilijk, want daar werkten mensen die ‘gehandicapt’ zijn en ik vond dat ik daar niet thuishoorde, ik schaamde me er een beetje voor. Ik was een jonge man en ik vond het moeilijk om te zeggen dat ik bij Empatec werkte. Dat komt ook omdat ik vind dat de buitenwereld daar een negatief beeld van heeft. Om in aanmerking te komen voor een baan via de WSW moet je tegenwoordig zwaar gehandicapt zijn. Ik zou daar nu waarschijnlijk ‘te goed’ voor zijn. Vanwege de bezuinigingen moeten mensen zoals ik ‘gewoon’ werk zien te krijgen en dat lukt vaak niet. Ik ben blij dat ik wel via Empatec heb kunnen werken, dat is uiteindelijk mijn geluk geweest. Ik heb het nodig om me nuttig te voelen voor de gemeenschap, thuis zitten geeft me een ontevreden gevoel. Ik heb via Empatec verschillende baantjes gehad. Zo ben ik o.a. gedetacheerd geweest bij TNT en later Post NL als pakketbezorger, dan moest ik de hele dag draven. Ik kreeg een auto met pakjes mee en die auto móest ’s avonds leeg zijn. Soms was ik niet vóór 20.00 uur thuis.

Ik ben getrouwd met Trijntsje. We hebben elkaar leren kennen bij ‘De Sterkste Man’ in Ha-rich; ik deed niet mee hoor, ik stond te kijken. We hebben eerst gewoond in het kleine huisje naast de camping. Daar is Sytse 19 jaar geleden geboren. Toen Jantsje twee jaar later kwam, zijn we verhuisd naar de Pastorywei, daar wilde mijn vrouw graag heen. Ik niet, ik wilde niet weg van ‘t Sou. Ik had schapen en die stonden in de wei achter ons huis. Als er lammerij was, moest ik soms midden in de nacht op de fiets naar de wei en dat was best lastig. We hadden wel een mooi huis op de Pastorywei hoor, met ruimte genoeg voor ons vieren en het was er heel rustig, de kinderen konden er leren fietsen en de school was dichtbij. We hebben er 12 jaar gewoond, maar ik was blij toen we in 2012 terug konden verhuizen naar ’t Sou, naar het huis waar we nu wonen. Nu hebben we weer zicht op de schapen, kan ik ze beter in de gaten houden.

In de zomermaanden werk ik als brugwachter in Nijhuizum, 18 km hier vandaan. Ik ga er op de racefiets naartoe en ‘s avonds haalt Trijntsje me met de auto op, anders heb ik helemaal geen avond meer over. Ik werk drie dagen en dan heb ik twee dagen vrij of ik werk twee dagen in het weekend en dan heb ik drie dagen vrij. Ik doe het werk samen met een collega. Als we een keer vrij willen hebben dan nemen wij elkaars dienst over, maar alleen als het uitkomt. Tussen de middag gaat de brug een uur dicht. Soms laat ik nog wel een boot door, maar eigenlijk mag dat niet, want voor dat uur ben ik niet verzekerd. Dat is weleens lastig omdat de mensen het raar vinden als ik wel in mijn huisje zit maar de brug niet opendoe. Daarom ga ik meestal een eindje fietsen, dan zien ze me niet. Dan kom ik terug tegen de tijd dat de brug weer open gaat.

Zoals gezegd ben ik opgeleid tot metaalbewerker, maar tegenwoordig werk ik graag met hout. Ik heb net een tuintafel gemaakt. Onder het huis heb ik een mooie ruimte waar ik kan knutselen. Trijntsje werkt in Nij Mariënacker in Workum. Sytse zit in het laatste jaar van de opleiding mbo Watermanagement en Milieukunde in Leeuwarden. Hij wil volgend jaar hbo Milieukunde gaan studeren. Jantsje doet mbo Toerisme, zij houdt van reizen. We reizen trouwens allemaal graag. Met de vouwwagen naar Frankrijk of, zoals twee jaar terug, drie weken naar Californië. Dat was een heel mooie reis.”
 
Wilma Deurloo