Een kijkje achter de voordeur van Kees en Coosje Lettinga, ’t Noard 15 (18 december 2015)

Bij de boekenmarkt op 8 november sta ik naast Kees en Coosje. “Ik kijk met mijn handen op mijn rug,” zeg ik, “want ik mag van mezelf geen nieuwe boeken kopen omdat ik de boeken van vorig jaar nog niet allemaal heb gelezen.” “Ik heb mezelf ook voorgenomen geen boeken te kopen, maar de zijtassen van mijn fiets zitten al vol”, zegt Coosje lachend met de volgende stapel boeken in haar handen. Het is daar dat ik Kees vraag of hij ervoor voelt geïnterviewd te worden voor de Warnser Poarte. “Jawel, maar dan samen met Coosje.” Ik begrijp niet precies waarom hij Coosje erbij wil hebben, maar na ons gesprek is me dat volslagen duidelijk. Huisarts zijn in Warns is een duo-baan! En een interview moet dus ook een dubbelinterview zijn, waarbij zij aangetekend dat Kees en Coosje elkaar regelmatig aanvullen en Coosje een beter geheugen blijkt te hebben voor data waarop gebeurtenissen hebben plaatsgevonden. Voor de leesbaarheid laat ik soms in het midden wie wat heeft gezegd.

“Ik ben in 1978 afgestudeerd”, begint Kees zijn verhaal. “In 1977”, zegt Coosje. “O ja”, gaat Kees verder “en dat was een slechte tijd voor beginnende huisartsen, er kwamen veel mensen van de opleiding en er waren weinig banen. Coosje en ik wilden graag wonen en werken op het platteland en met name Coosje wilde in het noorden van Nederland blijven.” “Met als uiterste grens Zwolle”, aldus Coosje.

”De eerste 2 jaar heb ik als waarnemer gewerkt. We zwierven door Nederland met onze 2 kleine kinderen Harke en Roel, we waren net een reizend circus. In 1980 kregen we de kans om de praktijk hier in Warns over te nemen. We waren heel blij, maar ik herinner me dat de verhuizing vrij hectisch was. Ik moest op 1 mei beginnen en mijn voorganger vertrok op 27
april. Op 28 april verhuisden wij naar het Noard, terwijl Coosje op dat moment al was uitgerekend van ons derde kind. Job is dus net hier geboren en later nog onze vierde zoon, Jelle. De kinderen zijn in Warns naar school gegaan en ze zijn allemaal terechtgekomen in de gezondheidszorg. Harke is fysiotherapeut, Roel anesthesist op een intensive care afdeling, Job is huisarts en Jelle is in opleiding tot psychiater. Drie van onze schoondochters werken ook in de gezondheidszorg.

Wij zijn hier in 1980 begonnen met Jantsje van Lolke als assistente. Toen zij in 1983 stopte is Lia gekomen, zij werkt er nog steeds. De eerste 10 jaren hadden wij dagelijks werkoverleg aan de keukentafel. In de loop van de jaren zijn er mensen bijgekomen en hadden we eenmaal per maand werkoverleg, altijd aan de keukentafel bij de maaltijd. Op het laatst zaten we met 10 mensen aan tafel, het paste nog net. Tot aan ons pensioen heb ik de maaltijd gekookt voor het werkoverleg.”

“In onze praktijk deed ik het medisch/inhoudelijke gedeelte en Coosje alles eromheen”, gaat Kees verder. “In het begin, zeker de eerste 15 jaar”, neemt Coosje over, “hadden we vier avonden in de week ‘dienst’. Dat betekende dat we nooit samen naar een verjaardag konden. Meestal ging Kees alleen en bleef ik thuis om de telefoon aan te nemen. Als er iemand hulp nodig had, dan belde ik Kees en dan ging hij erheen. Eén avond in de week nam één van de huisartsen in de buurt de dienst over en konden wij samen weg als we dat wilden. Dat deden we niet elke week maar als we weggingen, dan belden we de dienstdoende huisarts als we vertrokken en zodra we thuis waren belden we dat we er weer waren en dat we zelf de telefoon weer konden aannemen. In die tijd waren er nog geen mobiele telefoons en er waren gezinnen die zelfs helemaal geen telefoon hadden. Als Kees op huisbezoek ging, dan maakte Lia of ik een lijst van de adressen die hij ging bezoeken, op volgorde. Kwam er een spoedgeval tussendoor, dan schatten we in waar hij ongeveer kon zijn en dan gingen we bellen. Was hij nog niet op het adres waar we hem verwachtten, dan gingen we terug naar het vorige adres, net zolang tot we hem hadden opgespoord.”

Op mijn vraag of ze het werk missen, zegt Kees dat het hem meevalt, dat hij het minder mist dan hij had verwacht, maar Coosje zegt dat ze het verschrikkelijk mist. “Het voelt als een rouwproces. Het was niet een baan, het was ons leven. Datgene wat in de spreekkamer werd besproken bleef uiteraard tussen de vier muren van de spreekkamer, maar daarbuiten deelden mensen ook heel veel over hun leven met ons beiden, we kwamen soms heel dichtbij. Dat is weggevallen en ik weet dat het moet, maar ik mis het heel erg. Als we nu iemand tegenkomen om wie we ons in het verleden zorgen hebben gemaakt, dan zijn we wel benieuwd hoe het nu gaat, maar dat vragen we niet. Wij zitten niet meer in die positie. Net als toen we met de praktijk begonnen, moeten we opnieuw balans zien te vinden en net als toen is het weer zoeken naar wat wel en wat niet (meer) hoort bij onze rol.”

“Maar het is niet zo dat we nu stilzitten hoor”, neemt Kees het gesprek weer over, “ik ben rentmeester van de PKN-kerk. Samen met enkele anderen vormen wij een college dat verantwoordelijk is voor het geld van de kerk. En er dienen zich alweer andere zaken aan. We zijn begaan met het lot van vluchtelingen en onze handen jeuken om daar een bijdrage aan te leveren.

Daarnaast zijn Coosje en ik grote liefhebbers van duiken. We gingen in het verleden wel 2 keer per jaar naar Bonaire om er te duiken. Een paar jaar geleden ben ik eens gaan
onderzoeken of er een mogelijkheid zou zijn de huisartsen die op het eiland werken te vervangen bij hun afwezigheid. Dat gaat natuurlijk niet zomaar, het moet formeel geregeld worden, maar het ziet ernaar uit dat het zou kunnen gaan lukken. Dat ik daar nog tot eind 2019 – wanneer mijn licentie afloopt – af en toe kan gaan werken.” “Ik ga wel mee hoor”, zegt Coosje, “maar niet om te werken. Mijn werk was hier in Warns en dat heb ik afgesloten. Ik wil niet ergens anders opnieuw beginnen. Als ik meega, dan ga ik om te duiken en te zwemmen.”

Gedurende het gesprek met Kees en Coosje wordt het beeld van de apotheekhoudende plattelands dokter mij steeds duidelijker. Zonder de uitzonderingen onder de huisartsen in de stad tekort te willen doen, lijkt het alsof een gemiddelde huisarts in de stad een ‘baan’ heeft en dat de plattelands dokter in zijn praktijk ‘een invulling van zijn leven’ heeft gevonden. En dat houdt niet op bij de deur van de spreekkamer. Waarbij ik moet aantekenen dat ik er geen onderzoek naar heb gedaan en dus niet weet of het klopt.

Wat ik uit eigen ervaring weet, is dat ‘mijn plattelands dokter’ mij tijdens mijn laatste ziekenhuisopname driemaal gebeld heeft om te informeren hoe het met mij ging, iets wat ik nooit eerder had meegemaakt!


Wilma Deurloo