Een kijkje achter de voordeur van Riekele Stobbe, Buorren 52 (18 februari 2015)

Riekele woont samen met Marja aan de Buorren in een huis uit 1840. Hoewel het er van buiten vrij donker uitziet, is het van binnen aardig licht. Doordat er een klein voortuintje is, rijden de auto’s over de Buorren niet al te dicht langs het huis. Riekele vertelt dat er een grote tuin achter het huis ligt, waar hij in de zomer graag en veel werkt en waar hij in de winter geniet van de vogels. “Ik zag laatst drie pestvogels en dat geef ik dan door aan Tryntsje.”

Tijdens ons gesprek wordt me duidelijk dat Riekele ‘graag en veel’ bezig is. “Als ik me ergens instort, dan is dat voor 100%. Dat is weleens lastig, want ik bewaak mijn grenzen niet altijd even goed. Maar laat ik bij het begin beginnen, ik ben opgeleid tot chemisch analist. Ik werkte samen met andere analisten op een groot laboratorium en dat beviel me uitstekend. Nadat ik was gaan werken voor één onderzoeker in een eigen laboratorium, merkte ik dat ik het contact met collega’s het meest miste.

Ik besloot het roer helemaal om te gooien en te gaan werken in wat destijds de zwakzinnigenzorg, de Z-verpleging heette. Ik had nauwelijks een idee van wat het werk inhield, ik had alleen een schoonzusje dat er werkte. Ik herinner me nog dat ik het terrein opreed en uit mijn auto stapte, dat er iemand op me afkwam die me begon te knuffelen en dat ik dacht: wat is dit? Maar ik vond het wel direct heel leuk. Ik volgde de opleiding, steeds afwisselend een week les en drie weken stage in Reigersdaal, een nieuwe instelling. Tijdens de opleiding liep ik stage op verschillende afdelingen. Er was een afdeling met kinderen die overdag naar een ZMLK-school gingen en er was een afdeling waar kinderen met spina bifida (open ruggetje) en waterhoofdjes werden verzorgd, maar dat  was niet mijn stiel, ik werkte liever met ‘stoute jongetjes’. Daar had ik echt plezier in. Ik herinner me Gerrit, een jongen die niet thuis kon blijven wonen bij zijn ouders, maar die dat zelf wel wilde. Die reed dan op zijn brommer naar zijn ouders, waar hij door zes verplegers werd opgehaald en platgespoten. Gerrit zat bij ons op de afdeling en dat was reuze spannend. Collega’s waren bang van hem, ik niet, ik kon goed met hem opschieten. Het lukte me om hem te bewegen uit zijn bed te komen, te douchen en naar zijn werk te gaan.… tot het misging. Opeens werd ook ik bang, ik kon niks meer met hem en hij werd naar een gesloten afdeling van een psychiatrisch ziekenhuis overgebracht.

De bewoners van de instelling kwamen o.a. van Willibrord in Heiloo en van Duin en Bosch in Castricum, dat waren psychiatrische instellingen. Die mensen waren totaal gehospitaliseerd, ze zaten de hele dag te slapen en er kwam geen woord uit. Dat kwam mede door de largactil, de medicatie die ze kregen. Als de medicatie langzaam werd afgebouwd, zag je dat er iets begon te bewegen, dat ze bijvoorbeeld wél konden praten. Er woonden ook mensen waarvan ik me afvroeg wat daarmee aan de hand was geweest, waarom ze ooit waren opgenomen. Ik herinner me Sjonnie, een man van een jaar of 45 die op zijn 14e in de inrichting was beland nadat hij fikkie had gestookt. En zo zaten er wel meer mensen, een zus bijvoorbeeld uit een groot gezin, die overbleef nadat de ouders naar een bejaardenhuis waren gegaan en waarvan de familie dacht: wat moeten we ermee?

Juist in die tijd, ik praat nu over 1976, ging in de zorg het roer om. De denkbeelden veranderden en er werd een nieuwe instelling gebouwd in Heerhugowaard, daar ben ik gaan werken. Ik kreeg tenslotte wel steeds meer last van de grootte van de groepen in een instelling en daarom ben ik overgestapt naar een gezinsvervangend tehuis in Alkmaar, waar groepjes van 10 volwassenen werden ondergebracht in een huis in een gewone woonwijk. Sommigen gingen overdag naar de dagbesteding, anderen werkten op een sociale werkplaats. De psycholoog, de pedagoog en de maatschappelijk werkende kwamen regelmatig langs. We hadden veel vrijheid, we gingen met de bewoners het dorp in en we organiseerden zelf vakanties voor de groep naar Frankrijk en Portugal.
Later heb ik als trainer les gegeven aan de opleiding en ik deed intake gesprekken als ‘personal future planner’. Ik probeerde er door middel van een bepaalde methode achter te komen welke fantasieën en dromen iemand had over de eigen toekomst. Het mooie was dat bewoners die niet of nauwelijks spraken en waarvan men dacht dat ze niets konden, opeens veel meer in hun mars bleken te hebben dan verondersteld. Dat was soms heel verrassend!

Eén van de voordelen van het werken met mensen met een verstandelijke beperking, is dat je mensen niet meer beoordeelt op hun uiterlijk, maar dat je kijkt naar ‘wie is dit’. Daar heb ik in mijn eigen leven veel plezier van gehad.

Zoals ik eerder al zei, stort ik me 100% op de dingen die ik leuk vind en zo heb ik mijn werk altijd gedaan. Tot ik in 1998 met Marja op vakantie ging naar Toscane. Daar kreeg ik onderweg in de auto zo’n hoofdpijn dat ik niet meer in staat was om verder te rijden. Ik kon alleen nog maar slapen. Eenmaal terug in Nederland is er een scan gemaakt van mijn hoofd en toen bleek dat ik een bloeding had waaraan ik direct moest worden geopereerd. Ik was daarna niet meer in staat mijn werk volledig op te pakken, ik werd gedeeltelijk afgekeurd en ik kreeg het advies iets anders te gaan doen. Daar zijn wij uiteraard heel erg van geschrokken.
Ik besloot het roer weer om te gooien. Dit keer kochten we twee huizen bovenop een heuvel in de Lot, een Frans departement in de Midi-Pyrénées. Eén huis om zelf te gaan bewonen, het andere om te verhuren. Het eerste jaar ben ik bezig geweest het huis te verbouwen, het 2e jaar begon de verhuur te lopen. Klussen had ik altijd al gedaan, dus ik was aardig handig en zo werd ik klusser voor Nederlanders die er een huis hadden als tweede woning. Op die manier scharrelde ik mijn kostje bij elkaar. De Lot is een mooie streek, met heel oude boerderijen en kasteeltjes. Helaas heeft het een landklimaat, wat betekent dat het in de zomer verzengend heet kan zijn. Ik kan daar slecht tegen, maar wat me uiteindelijk het slechtst beviel, was de eenzaamheid en de verveling. De naaste buren woonden op 1 en 1,5 km afstand. Na 12 jaar in Frankrijk gewoond te hebben, begon ik het contact met mensen te missen en toen kwam Friesland weer terug in mijn herinnering. Ik had in het verleden al een paar jaar een tweede huisje gehad in Moddergat, aan de Waddenzee. Ik ben als kind echter opgegroeid in een dorpje in West-Friesland (Binnenwijzend). Mijn ouders waren beiden Fries en thuis spraken zij Fries met elkaar, ik kan het Fries daardoor goed verstaan (als ik de taal hoor lijkt het alsof ik terugga naar mijn kindertijd). Bovendien logeerde ik als kind vaak bij mijn pake en beppe in Bakkeveen. Het leek me leuk om in een waterrijk gebied te wonen, waar ik weer zou kunnen gaan varen. Ik heb vroeger een Staverse Jol gehad en ik had zin om weer een boot te kopen. Door die hersenbloeding is mijn reactievermogen echter wat trager geworden. Met harde wind of op een druk vaarwater wordt het dan moeilijker, met wedstrijden meedoen zit er niet meer in. Toch gaat die boot er wel weer komen denk ik, het water blijft trekken en Marja is een ervaren zeiler! Ondertussen zit ik natuurlijk niet stil. Ik ben barvrijwilliger geworden in de Spylder en ik ben actief in de Werkgroep Historisch Warns. Hier beleef ik veel plezier aan, het is een heel fascinerende omgeving en het helpt me om hier te ‘aarden’, ik kan het landschap nu ‘lezen’. Met name ’s winters houd ik me hiermee bezig en in de zomer werk ik graag in mijn tuin. Ik tuinier zonder gif te gebruiken, verder teken en schilder ik graag. Daarnaast word ik af en toe nog gevraagd om mensen met een verstandelijke beperking ambulant te begeleiden. Ik vind het fijn om mensen te ondersteunen op weg naar zelfstandigheid en op die manier een bijdrage te kunnen blijven leveren.”


Wilma Deurloo